Natte daliegaten en verdrogende daliebulten in (voormalige) veengebieden
Op verscheidene plaatsen in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht komen met veen en venig materiaal opgevulde putten voor in gebieden die uit zavel- en kleigronden bestaan. Deze putten zijn op graslandgronden te herkennen aan cirkelvormige depressies met een doorsnede van twee tot vijf meter. Bij niet-geëgaliseerd grasland ligt het centrum van deze schaalvormige gaten 20 à 50 centimeter lager dan de directe omgeving. In natte perioden verzamelt zich in deze zogenoemde daliegaten nogal eens neerslag, waardoor legio plassen op het land ontstaan. Ondanks herhaaldelijk aanvullen van deze depressies met materiaal dat bij het opschonen van greppels en sloten vrijkomt, keren de daliegaten na verloop van tijd weer als lagere plekken terug. Dit door de sterke klink van het in de gaten aanwezige moerige materiaal. In het veengebied van polder de Zeevang in Noord-Holland komen in het grasland daarentegen iets hogere plekken voor met een doorsnede van drie tot soms ruim 6 meter. Deze zogenoemde daliebulten steken circa 5 tot 25 centimeter boven het omringende maaiveld uit en hier stroomt het regenwater vaak af naar de omgeving. In de zomer vertonen daliebulten in het grasland het eerst droogteverschijnselen. Beide fenomenen danken hun ontstaan aan de middeleeuwse winning van kalkrijke zavel en klei uit de ondergrond voor verbetering van de veenbovengrond voor akkerbouw. In dit artikel geven we een overzicht van de ontstaanswijze en verbreiding van deze fenomenen, en van de betekenis van deze en andere middeleeuwse activiteiten voor de waterstaatkundige en hydrologische geschiedenis van deze (voormalige) veengebieden.
PUBLICATIEDATUM
02-01-2009
AUTEUR(S)
John Mulde
Louis Dekke