De invloed van hydrologie op de broeikasgasbalans in laagveengebieden

Veenweidegebieden beslaan 160.000 hectare in WestNederland (zie figuur 1). Het laag veen in deze gebieden werd in het Holoceen afgezet onder voedselrijke omstandigheden, in moerasachtige gebieden waar een goede ontwatering ontbrak. Momenteel zijn de meeste veenweidegebieden in gebruik als landbouwgrond. In de toekomst zal dit wel licht veranderen in natuur (plasdras/veenmoeras) of extensief beheerd weidegebied. Ten behoeve van landbouwactiviteiten wordt de waterspiegel in veenweidegebieden met afwateringssloten kunstmatig laag gehouden, waardoor zuurstof de grond in kan dringen. Dit laatste zorgt voor oxidatie van organisch materiaal, dat naast bodemdaling ook als gevolg heeft dat grote hoeveelheden koolstofdioxide (CO₂ ) in de atmosfeer komen (Langeveld e.a., 1997). Als de waterspiegel voldoende hoog staat vindt deze afbraak niet plaats. Organisch materiaal hoopt zich juist op, waardoor koolstof wordt opgeslagen in de bodem en op langere termijn het veen opnieuw ‘aangroeit’ (Burgerhart, 2001; Van den Bos e.a., 2003). De anaerobe toestand van het veen heeft als nadeel dat er meer methaangas (CH4) uit de bodem komt (Drösler e.a., 2007), omdat dit juist in anaerobe omgevingen door methanogene bacteriën wordt geproduceerd. CH4 is als broeikasgas vijfentwintig keer sterker dan CO₂ (IPCC, 2007). Als laatste komt er ook lachgas (N2 O) vanuit de bodem in de atmosfeer. Hierbij geldt in he.a.emeen: hoe voedselrijker de bodem (dus hoe meer stikstofbemesting), hoe hoger de N2O uitstoot. N2O is als broeikasgas 300 keer sterker dan CO₂ (IPCC, 2007).

PUBLICATIEDATUM

01-01-2009

AUTEUR(S)

Dimmie Hendriks