Stromingen
Stromingen is het vakblad voor hydrologen. Er wordt ruimte geboden aan wetenschappelijke artikelen, reacties, discussiebijdragen, congresverslagen, boekbesprekingen, vuistregels en proza. Stromingen wordt uitgegeven door de Nederlandse Hydrologische Vereniging.
Op deze pagina kunt u alle artikelen die in Stromingen gepubliceerd zijn opzoeken en downloaden.
Redactioneel
Het eerste dat hier opvalt: overal is het groen, álles is groen. Elders, bijvoorbeeld in de Alpen, heeft het pleistoceen zijn tol geëist. De steile wanden zijn kaal, door het ijs gevormd. De holocene warmte heeft daar sindsdien weinig aan veranderd. Maar hier is dat anders. Hier vinden we zelfs in de steilste bergwanden begroeiing, soms nog relicten uit het Tertiair. Een welhaast paradijselijke vulkanische archipel voor de Afrikaanse kust.
Opinie: ‘Het Nederlands Hydrologisch Platform, een zeer nuttige bundeling van krachten’
Het verleden Iedere Nederlandse hydroloog herinnert zich ongetwijfeld de pogingen van begin jaren negentig om een disciplinaire onderzoekschool Hydrologie op te richten en was zich destijds bewust van het belang van een dergelijke kleine disciplinaire school (naast de grote interdisciplinaire scholen die als paddenstoelen uit de grond schoten). Eindelijk zouden krachten worden gebundeld, eindelijk zou de hydrologie een volwaardige plek kunnen innemen naast erkend grote disciplines zoals de geologie. De school zou vast en zeker extra ruimte voor fundamenteel strategisch onderzoek opleveren. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden is het initiatief nooit ingediend bij de KNAW en het liep dus op niets uit. De belangrijkste consequentie van deze mislukking is de versnippering van het hydrologisch onderzoek over een aantal onderzoeksscholen. Daarbij is het vervolgens nog maar een kleine stap om de hydrologie niet als een aparte discipline te beschouwen, maar als ondersteuning voor andere vakgebieden.
Een theorie voor een module om op basis van de MONA-topsysteembenadering diepe en ondiepe kwel aan maaiveld te bepalen
Onderscheid tussen diepe en ondiepe kwel is onder andere van belang voor ecologische- effectvoorspelling. Men is dan vooral geïnteresseerd in waar de diepe kwel terecht komt: in het ontwateringsmiddel of als kwel aan (hellend) maaiveld en dan ook nog in welke zone. In de meeste modellen wordt dit onderscheid alleen mogelijk als het betreffende gebied zeer gedetailleerd wordt gemodelleerd, dat wil zeggen met cellen of elementen in de orde van grootte van meters. Voor regionale modellen is dit onhaalbaar laat staan voor landelijke modellen. Om toch iets te kunnen zeggen over waar de kwel waarschijnlijk uit komt, is onderstaand een formule afgeleid op basis van een algemeen bruikbaar modelconcept voor het topsysteem van grondwatermodellen.
Hatsi-kD 52 tm 56: De getijdebeweging in estuaria (deel twee: demping en opslingering van het getij)
Deze aflevering is een vervolg op die in Stromingen 7/1. De ik-persoon is dus nog steeds Huub Savenije.
In het vorige nummer van STROMINGEN (jaargang 7, nummer l) heb ik mijn verbazing uitgesproken over de klaarblijkelijke regelmaat en voorspelbaarheid die stroming in waterlopen vertoont, terwijl de fysische wetten instabiel en zelfs onvoorspelbaar gedrag aan de dag kunnen leggen. Op het gevaar af te filosofisch gevonden te worden, wil ik u toch niet de volgende gedachtengang onthouden.
Gas in de ondiepe ondergrond
In verband met de winning van gas uit de diepe ondergrond (dieper dan ca. 1000 m) zijn het ontstaan en de verplaatsing (migratie) ervan uitvoerig bestudeerd. Aardgas ontstaat, bij hoge druk en temperatuur, door omzetting van organisch materiaal. Daarom wordt het ook wel thermogeen gas genoemd. Het gesteente waarin het wordt gevormd, staat bekend als (gas)moedergesteente. Wegens het verschil in dichtheid zoekt het gas zich na vorming een weg naar boven tot een voor het gas ondoorlatende klei- of zoutlaag (stromingbarrière) die verdere migratie verhindert. Onder zo’n stromingbarrière raakt de ruimte tussen de meestal verkitte (sediment)korrels gevuld met gas (accumulatie). Het gesteente waar opslagplaats vindt wordt reservoirgesteente genoemd. Afhankelijk van het scheefgesteld of geplooid zijn van het barrièregesteente is naast verticale migratie laterale migratie mogelijk.
Remote Sensing in Hydrology and Water Management’
Remote Sensing in Hydrology and Water Management
door Gert A. Schultz en Edwin T. Engman (red), 483 pag, gebonden, 2000, Springer, Berlin, ISBN 3-540-64075-4, DM 198,- , £ 68.50.
Bijeenkomsten: ‘Lezingenmiddag VIDENTE’, ‘NAGROM-bijeenkomst’
Lezingenmiddag VIDENTE
Alterra, 15 februari 2001
In het kader van het onderzoeksprogramma Geodata Groene Ruimte (nummer 328) van de Dienst Wetenschap en Kennis van het Ministerie van LNV zijn er in de afgelopen jaren verscheidene stochastische modellen ontwikkeld om de grondwaterstandsfluctuaties op één locatie te beschrijven. Deze modellen kunnen worden gebruikt om uit waarnemingsreeksen van beperkte lengte en frequentie schattingen te maken van fluctuatieparameters die representatief zijn voor het klimaat, zoals de GHG, GLG, GVG, duurlijnen en regimecurves. Een aantal van deze modellen wordt gebruikt binnen de karteringen van de grondwaterdynamiek op schaal 1:10.000, die op dit moment in verschillende delen van het land worden uitgevoerd.
Maatgevende afvoeren, onzekerheden en wereldbeelden
De bescherming van het Nederlands rivierengebied tegen overstroming door de Rijn of de Maas is gebaseerd op een veiligheidsnorm van 111250 per jaar. Volgens de Wet op de Waterkering (1996) dienen de dijken zo gedimensioneerd te zijn dat ze hoogwaterstanden kunnen weerstaan die gemiddeld slechts eens in de 1250 jaar overschreden worden. Het winterbed moet deze afvoeren kunnen verwerken zonder dat het achterliggende land overstroomt. De waterhoogtes zijn gerelateerd aan de zogeheten maatgevende afvoeren van de Rijn en Maas. Deze maatgevende afvoer wordt elke 5 jaar vastgesteld, de eerstvolgende keer zal dit jaar zijn. Dit gebeurt aan de hand van de jaarmaxima in de afvoerreeksen bij de stations Borgharen (Maas) en Lobith (Rijn), die sinds 1911 resp. 1901 dagelijks gemeten worden. Omdat de meetreeksen waarover we kunnen beschikken ongeveer 100 jaar omspannen, wat in vergelijking met norm van 1250 jaar relatief kort is, is een nauwkeurige bepaling van de maatgevende afvoer statistisch niet mogelijk. Ook bestaan er geen alternatieve instrumenten (zoals hydrologische modellen) waarmee een nauwkeurige bepaling van gebeurtenissen met een dergelijke grote herhalingstijd met grote zekerheid bepaald kan worden. Dit is een probleem, omdat vanwege de hoge kosten die hoogwaterbescherming met zich meebrengt, een nauwkeurige bepaling wel gewenst is.